"Samen spelen is samen delen", roept zoonlief drie keer achter elkaar, terwijl hij de blokken op elkaar stapelt. "Dat is jouw kasteel en dat is jouw brandweerkazerne." Hij praat tegen zichzelf, tegen een denkbeeldig vriendje of tegen de prinses die voor het bouwwerk staat. Als hij met de brandweer aan de slag gaat en per ongeluk het 'kasteel' omstoot, hoor ik een "sorry, sorry, sorry".
De postbode onderbreekt zijn spel. Zoonlief rent naar het raam. "Ik doe even dankjewel zeggen", zegt hij ter verklaring tegen mij, "Dank je wel!" roept hij vervolgens door het raam. Dat doet me denken aan de talloze keren dat zoonlief de deur opende voor de postbode, de krantenman of iemand die een folder door de brievenbus duwde - o ja, ik moet nu toch echt eens zo'n ja/nee-sticker ophalen. Zoonlief deed de deur open om dankjewel te zeggen tegen de persoon die iets in onze brievenbus kwam doen. Schattige gewoonte zou je zeggen, maar het zorgt wel voor hoofdbrekens, want hoe leren we hem dat hij de deur niet voor iedereen open mag doen? Gelukkig doet hij de deur in de meeste gevallen pas open als hij gezien heeft dat hij de persoon die ervoor staat kent. Dat geldt alleen nog niet voor de postbode. Daar moeten we nog aan werken.
Zijn dankjewels ga ik niet verbieden. Ze zorgen ervoor dat ik het ook weer vaker zeg. Als ik de bus uitstap, bedank ik tegenwoordig de buschauffeur weer. Ik probeer er in de trein ook aan te denken als mijn kaartje gecontroleerd wordt. Zo'n bedankje vrolijkt mijn wereld op. En die van zoonlief doen dat helemaal. In tegenstelling tot hem voel ik een soort van dankjeweldrempel waar ik over moet. Mensen om me heen kijken doorgaans raar op van een dankjewel. Van een kind wordt het schattig gevonden, maar ik word al gauw voor gek versleten. Het scheelt dat ik besloten heb om me daar helemaal niets van aan te trekken. Mijn dankjewel zorgt voor een lach op mijn gezicht. Zoonlief en ik beleven er plezier aan.
Zoonlief heeft zich weer op zijn spel geconcentreerd. Hij maakt van de bodem van het circus een pannekoek. Vraag me niet hoe hij het doet, hij kan toveren. Toveren met de realiteit van deze wereld. Hij leert zijn draak, paarden en hond wat ze moeten doen vandaag. Hij laat zijn creativiteit allerlei kanten op gaan. Ik geniet ervan om hem zo bezig te zien. Steeds als ik denk dat hij me niet meer kan verrassen, komt hij met voor mij vernieuwende inzichten. De wereld van zoonlief is een verrijking van mijn wereld. Angsten en ongemakkelijke gevoelens verdwijnen. Wat anderen ervan vinden, is voor hem geen referentiekader en dat werkt bevrijdend voor zijn mama, die toch graag de controle over de dingen om zich heen behoudt. Hoe kan ik er niet van houden om bevrijd te worden?
Zucht. Ik geloof dat dit magische gevoelens zijn. Of heet dat nou moederliefde?
Diana de Bont © 2010