Om het artikel te kunnen lezen met een witte achtergrond en zwarte tekst of om het artikel uit te printen, download u onze PDF.
Ieder mens communiceert vanaf zijn geboorte. De manier waarop dat gebeurt, verschilt nogal. Er zijn heel erg veel manieren om te communiceren, niet alleen met woorden, maar ook met gebaren, geluiden en mimiek. Dit artikel gaat over de vroege taalontwikkeling van kinderen - van brabbelen tot de eerste woordjes.
Geboortekreet
Voordat kinderen woorden gebruiken, gaan ze eerst door de zogenaamde prelinguale periode. Deze bestaat uit vier fasen. In de eerste fase, die duurt vanaf de geboorte tot zes weken, kan een baby eigenlijk alleen huilen en schreien. Het begint al met de geboortekreet, waarmee bewezen is dat de adem- en stemfunctie in orde zijn. Deze twee functies vormen belangrijke voorwaarden voor spraak.
Vanaf de geboorte kan een kind al stemmen onderscheiden: een baby heeft een voorkeur voor stemmen boven andere geluiden. En in het bijzonder luistert het kind graag naar de stem van zijn moeder - die kan hij onderscheiden van andere. Het gehoor van een kind werkt al voor de geboorte: vanaf de zestiende week van de zwangerschap kan een baby iets horen. Eerst hoort hij alleen geluiden in de baarmoeder, later hoort hij steeds meer - ook geluiden van buiten de baarmoeder.
Glimlachen
De tweede fase duurt van zes weken tot vier maanden. In deze fase begint de wederzijdse communicatie: het kind leert glimlachen. Daarmee ontlokt hij communicatie van zijn omgeving, in de vorm van oogcontact, mimiek, gebaren, aanraking, reuk en smaak. Als een baby lacht, reageert de omgeving: het begin van wederzijdse communicatie.
Baby’s kunnen meer dan lachen: ze beginnen in deze fase ook rustige geluiden te maken door de mond. Dit klinkt als een ontspannen ‘eeeeh’ of ‘aaaah’. De articulatie-organen worden in deze fase al getraind door de zuigbewegingen die het kind maakt. Ook leert het kind van het luisteren naar de spraak om hem heen: een baby luistert al heel selectief, hij hoort het liefst spraak.
Beurtname
De derde fase (vier tot zeven maanden) is voor ouders een herkenbare: het is de periode waarin een baby uitprobeert hoe hard hij kan gillen. Hij probeert zijn articulatie-organen uit door lange geluiden te maken, of hele luide, of door te variëren in toonhoogte. Het hoge gegil is vooral iets wat opvalt in de ontwikkeling. Ook maakt de baby meer verschillende soorten ontspannen geluidjes, in combinatie met vegetatieve geluiden als hikken, slikken, boeren, kwijlen.
In deze fase begint ook het vocaal spel, waarin kinderen geluiden maken voor zichzelf en daar naar luisteren. Dat doen ze als ze alleen zijn, maar ook als er anderen in de buurt zijn. Volwassenen reageren hierop, waardoor de ‘protoconversatie’ ontstaat. In de protoconversatie maken baby en volwassene om de beurt geluiden, terwijl ze elkaar aankijken en aanraken. Beurtname is in communicatie een heel belangrijke functie - denk maar aan ieder gesprek dat je voert. De basis daarvan is ook ‘om de beurt praten’. Als je niet goed bent in beurtnemen, zal het erg moeilijk zijn een normaal gesprek te voeren. Ofwel je kunt niet inschatten wanneer jouw beurt is, en krijgt dus niet de kans om iets te zeggen, ofwel je praat terwijl iemand anders eigenlijk aan de beurt is om iets te zeggen.
Dat een baby die beurtname kan toepassen, komt ook door een luisterfunctie die hij in deze tijd verwerft: ze letten op pauzes die een zin afsluiten, dus ze leren het einde van een zin herkennen. Dan wordt het ook gemakkelijk om te herkennen wanneer er een moment is waarop jij iets zou kunnen zeggen: als iemand anders stopt met praten. Blijkbaar is het niet nodig om te weten wat iemand inhoudelijk zegt, want zoveel begrijpen kinderen van zeven maanden natuurlijk niet.
Ook leren kinderen in deze periode klanken onderscheiden: ze reageren als na herhaling van een bepaalde klank, een andere klank wordt aangeboden. Waar kinderen eerst alleen voorkeur hadden voor spraak boven andere geluiden, kunnen ze nu ook voorkeur gaan ontwikkelen voor hun moedertaal boven een andere taal.
Brabbelen
Het echte ‘brabbelen’ komt in de vierde fase (van ongeveer zeven tot ongeveer veertien maanden): dan maken kinderen herhaalde articulatiebewegingen. Dat kan steeds dezelfde beweging zijn (mamamamam), of verschillende bewegingen (wawadada). De laatste lijken al een beetje op lettergrepen. Voor deze brabbels selecteert een kind meer en meer klanken uit zijn moedertaal. Eerst komen allerlei exotische klanken voorbij, maar naarmate het kind ouder wordt, gaan de groepjes klanken steeds meer op echte lettergrepen lijken.
Een kind van deze leeftijd begrijpt al korte zinnen en vragen, zoals ‘Waar is de poes?’. Het begrip berust nog wel vooral op de melodie in een zin, en de context verschaft veel informatie over wat er gezegd of gevraagd wordt.
Echte woorden
Na de prelinguale fase komt de vroeglinguale fase. In deze fase gaan kinderen ‘echte’ woorden gebruiken, die ze vervolgens uitbouwen tot zinnen.
Eerst is er de eenwoordfase (ongeveer van een tot anderhalf jaar). Deze begint met klankgroepjes die een afspiegeling zijn van volwassen woorden, voortkomend uit de gevarieerde brabbels.
De allereerste woorden zijn eigenlijk vaste klankgroepjes die standaard in een bepaalde context worden gebruikt. Bijvoorbeeld een kind dat altijd ‘bah’ zegt als het verschoond wordt. Of ‘am’ als het iets eet. Dit noemen we ‘protowoorden’. Deze woorden symboliseren dus niet echt iets, ze zijn gewoon onderdeel van de handeling. Kinderen kunnen op deze leeftijd ook nog niet verwijzen naar iets, bijvoorbeeld naar papa die in de andere kamer is. Maar het kan wel zijn dat ze ‘papa’ zeggen als onderdeel van het vaste schema ‘papa begroeten’. Vaak zijn deze woordjes onomatopeeën, woorden die een klank weergeven (bah, oh!).
De meeste kinderen gebruiken rond veertien maanden hun eerste ‘echte’ woord, hoewel de scheidslijn tussen protowoorden en echte woorden onduidelijk is. De eerste woorden verwijzen meestal naar personen, dieren en handelingen uit het dagelijks leven. Soms lijkt het kind twee woorden achter elkaar te zeggen, maar in deze fase is dat een vaste formulering die alleen in die vorm wordt gebruikt: ‘hoefnie’, bijvoorbeeld.
Ook het gebruik van eerste woorden is nog erg gebonden aan vaste handelingsschema’s in het dagelijks leven. Later worden woorden ook gebruikt om dingen te benoemen, aan te wijzen, te vragen of te becommentariëren. Kinderen gaan door een fase waarin ze proberen te ontdekken wat een woord precies betekent. Zo was er een meisje dat voor het aquarium zat en vragend naar haar moeder opkeek toen er een vis voorbij kwam zwemmen: “Tis?” “Ja”, zei haar moeder, “dat is een vis”. Toen er weer een vis voorbij kwam, herhaalde dit zich. Tot 26 keer toe vroeg het meisje bevestiging of het dier dat achter het glas voor haar langs zwom, een vis was. Toen was ze tevreden.
Bij deze fase hoort ook de ‘overgeneralisatie’: kinderen kennen soms nog niet de precieze afbakening van de betekenis van een woord, waardoor ze het woord te vaak (alle dieren met vier poten worden ‘hond’ genoemd) of te weinig (alleen de eigen hond wordt ‘hond’ genoemd) gebruiken. Door de interactie met volwassenen worden de betekenissen van woorden steeds beter in kaart gebracht door kinderen.
Combineren tot zinnen
Aan het eind van de eenwoordfase kunnen kinderen verschillende dingen doen met woorden:
- een eigenschap koppelen aan een voorwerp (thee is heet)
- verwijzen naar een afwezig iets of persoon (papa zeggen, wijzend naar de jas van papa)
- iets ontkennen door een woord te zeggen en daarbij nee te schudden (‘ekke’ - niet lekker)
Dit laatste wordt een holofrase genoemd, en dat wil zeggen dat het kind al heel snel woorden gaat combineren tot zinnen. Als je het zo bekijkt, is het ongelooflijk wat kinderen allemaal in korte tijd leren van de taal. En dat naast al het andere dat ze zich eigen maken!
Esther Dekker © 2009
Esther werkt als logopedist en heeft taalwetenschap en logopedie gestudeerd.