Het is woensdagochtend. Ik moet naar mijn werk. Roy is vrij en zowel hij als Fenna slapen nog.
Als ik gedoucht en aangekleed naar beneden sluip hoor ik de eerste geluidjes uit de kinderkamer komen. Ik zet een kop koffie en smeer een boterham en luister door de babyfoon naar een wakker wordend meisje dat gezellig begint kletsen.
Wat zou ze zeggen? Wat zou ze te vertellen hebben? Waar denkt ze aan?
Een half uur later kletst Fenna nog steeds zachtjes tegen haar donkere kamer en ik sluip terug naar boven om nog snel even mijn bril te halen voordat ik de deur uit ga. Roy is inmiddels ook wakker geworden en Fenna’s geklets gaat langzaam over in roepen. Blijkbaar vindt zij het ook tijd om op te staan.
Ik blij, want dat betekent dat ik nog even met mijn kleine meisje kan knuffelen voordat ik weg ga.
Hoewel ik mijn jas al aan heb en ik eigenlijk al aan de late kant ben, piep ik toch even de kinderkamer in.
Met een vrolijk “Heeeeeejjjjjjjjjjj”, word ik door Fenna begroet. Ze zit rechtop in bed, schenkt me een grote glimlach en steekt haar armpjes naar me uit. Ik til haar op en geef haar een dikke knuffel. Samen doen we de lampjes bij haar bed aan, kijken naar de bloemen op het behang en ik geniet intens van het onverwachte mama-dochter-moment.
Nog even nagenietend zit ik een kwartiertje later in de bus naar mijn werk.
Zucht… ik ben blij dat ik werk en blij met mijn baan. Maar er zijn van die dagen dat ik liever thuis zou blijven.