Ik vind het lachen hoor, kleine kinderen. Naomi kreeg voor haar verjaardag een keukenboetseerset. Op de doos staan afbeeldingen van kunstige taartjes van klei met aardbeienvulling, een vlinderdecoratie en toefjes slagroom. Maar Naomi plempt alle kleuren door elkaar en maakt bolletjes. ‘Pizza!’ schreeuwt ze. Pizza voor mama, pizza voor papa, pizza voor Johnny, pizza voor Raura (dat ben ik. Ze kan heel goed Laura zeggen, maar is het kennelijk niet eens met die naam.) De volgende dag liggen er kleibolletjes in de koelkast. ‘Heb je de pizza’s in de koelkast gedaan?’ vraag ik haar. ‘Dat zijn geen pizza’s,’ zegt ze. ‘Dat is van Johnny, dat zijn voetballen.’ Voetballen in de koelkast, oké.
Johnny is een bijzondere, zoals velen van zijn leeftijd. Hij tekent absoluut waanzinnig en heeft wijze invallen. Vraag ik zijn moeder advies over een geval van emoties.Zegt ie: ‘Gewoon kippesoep nemen.’
Met Dinesh heb ik ook heel wat afgelachen. Een keer zat hij op mijn schoot en liet een wind. Hij trok zijn neus op, zei: ‘Hier stinkt het,’ en sprong weg om een andere schoot te zoeken. Toen hij twee was zei hij: ‘We gaan niet slapen. Morgen gaan we slapen.’ En deze is ook onbetaalbaar: ‘We maken een kroon voor Dinesh,’ zei ik. ‘Ja, niet voor mama Laura.’ Ik: ‘Nee,’ ‘Dinesh: ‘Als je klein wordt mag je ook.’
Ik schrijf ze allemaal op. Jullie ook?