De vorige keer beschreef ik grappen en grollen van mijn zoon. Het schrift waarin die staan is dik, hier zijn er nog een paar.
Hij was nog geen vier toen we een keer gingen eten bij zijn grote halfzus en haar zuster en moeder. Na het eten zou hij in de kamer van zus gaan slapen. Inventief zijn kinderen hè, als ze niet willen slapen? Iemand zou er een boek over moeten schrijven. Wat zouden we daar om lachen, mits onze kinderen de ik-wil-niet-slapen leeftijd zijn ontgroeid en onze irritaties onder het stof van de jaren zijn verdwenen.
Ik zat met de moeder beneden en halfzus bracht zoon naar bed. Hij had alle smoezen al gehad, dat wil zeggen, alle smoezen die ik kende. Hij had water gewild en nog eens water. Zijn zus was zelfs naar beneden gekomen om appelsap voor hem te halen. Weer een kwartiertje later kwam hij zelf. Hij moest poepen. Zei hij. Maar op de wc gebeurde er natuurlijk niks. ‘Er is wel poep maar die zit klem,’ verdedigde hij zich tegenover mij. ‘Hij zit vast met plakband.’
Terug naar boven, dit keer met de zus van de halfzus. Want hij kon uiteraard niet alleen zijn. Al het geduld van de zus van de halfzus kon zoon niet slaperig maken. Tenslotte was het op. ‘En nu ga ik naar beneden,’ kondigde ze aan. ‘Maar dan ben ik bang!’ zei zoon. ‘Waarvoor dan?’ ‘Dat het niet gezellig is!’