Zomervakantie is alweer een tijdje voorbij. Ergens vind ik het wel fijn, terug in de routine, aan de andere kant, de vrijheid die vakantie biedt is ook wel lekker. Maar goed, wij kiezen voor school, dus we gaan naar school. Inmiddels ben ik – na een jaar – gewend aan de routine, evenementen en eis ik mijn tijd op bij de juf. Nu eens kijken of dat onze zoon ook lukt. Het wennen is voorbij, tijd voor het echte werk.
Tijdens het eerste spreekuur (10 minuten) kregen we vorig jaar te horen dat zoon een schat van een jongen was, heel behulpzaam naar anderen, heel speels, en dat hij zich niet zo goed kan concentreren. Hij was snel afgeleid, bemoeide zich met de andere kinderen, maar deed erg lang over zijn eigen werk als hij het al afkreeg. Aan de ene kant verbaasde ons dat niet, hij kan snel door iets worden afgeleid, maar dat hij lang over zijn werk deed, of het niet af leek te krijgen was nieuw voor ons. Dus gingen we er op letten. En inderdaad, hij bemoeit zich vooral met anderen, neemt ook onze rol over tegen zijn zusje, en vergeet dat hij zelf iets moet doen. Behalve als hij moe is, dan trekt ‘ie zich terug met LEGO, puzzels of bouwwerken. We zijn dan ook maar begonnen met hem leren dat hij eerst zijn eigen ding moet doen, en zich vervolgens anderen mag helpen. Zonder resultaat overigens.
Het tweede spreekuur keken we vol verwachting de juf aan: ‘En? Hoe gaat het nu?’ Tja, nog steeds niet zo goed, nog steeds te langzaam, nog steeds niet af. We hebben toen maar gevraagd wat de werkjes inhouden. Die gezien hebbende wisten we genoeg. De puzzels waren te simpel, dus vond hij ze niet leuk, en dus wil hij ze niet doen. Gelukkig had juf zelf bedacht dat hij dan misschien andere werkjes kon doen, maar ja, ‘die zijn voor oudste kleuters, die kan ik niet’ kreeg ze toen van zoon te horen. Dus, wij weer een goed gesprek met hem gevoerd –voor zover dat kan met een 4-jarige – en gevraagd waarom hij de werkjes niet wil doen (‘Niet leuk’), waarom hij de oudste kleuter werkjes niet wil doen (‘te moeilijk voor mij, ik ben pas jongste’), en waarom hij de anderen blijft helpen (‘ze snappen het niet’). Raadsel. Dus, ik dacht, dan maar een extra gesprek met de juf. Ik wilde wel eens tips van haar, zodat we hem konden helpen. Op school legt hij zichzelf beperkingen op die hij thuis niet heeft (hij zet zo een auto in elkaar met 100 schroefjes en moertjes, zet de technisch lego blind in elkaar en leest met vinger erbij teletekst voor. Ik weet het ook niet.
Ergens word ik er ook een beetje boos over, want wie zegt wat hij NU moet kunnen. Wanneer voldoe je aan welke norm, en wie bepaalt die norm? Op basis waarvan? Een kind van vijf moet toch gewoon kunnen spelen, leren kunnen ze nog hun hele leven. Nee, er moet weer voldaan worden aan van alles. En dan vinden wij het gek dat onze kinderen faalangst krijgen, omdat ze altijd maar moeten presteren. Of dat ze geen creativiteit meer hebben omdat ze teveel worden afgestompt. Of dat ze teveel achter de computer zitten, terwijl er vanaf groep één digitaal wordt lesgegeven (muisvaardig zijn noemen ze dat)? Ik ben er nog niet uit, wat ik er allemaal van vind. Ondertussen laat ik mijn kind bouwwerken maken voor kinderen van acht, gewoon omdat hij het wil. En als hij mij teletekst spelt – omdat hij het wil - dan ben ik supertrots. En als hij met onze buurjongen van 7 chocoladesoep en pannenkoeken maakt in de zandbak met water, dan denk ik, goed zo. Verzin het maar! Tegelijkertijd vraag ik me ook af, waar zijn we met z’n allen mee bezig? Maar ja, ik heb er niet voor gestudeerd… dus wat zou ik er van kunnen weten? Ik ben alleen maar moeder, en zie een heel ander kind op school dan thuis. Dat is wat ik weet. En ik heb liever die van thuis.